logboek

Buitenwipper

Buitenwipper

In het najaar van 2014 scharrelen we met de Tignanello rond in Brazilië. We komen op plekken waar de Nederlanders en de Portugezen vochten over de kust. Het oude fort in Cabedelo is daar een mooi voorbeeld van. Vervolgens zeilen we via Frans Guyana naar Suriname. Onderweg schrijven we een artikel voor Zilt Magazine over Duivelseiland (zie nummer 105). En leggen we de laatste hand aan het artikel over de Atlantische oversteek met de Tignanello over de evenaar afgelopen augustus, te lezen in het februari nummer van het blad Zeilen (pagina 38).

Eenmaal aangekomen in Suriname zijn we onder de indruk van de prachtige natuur en de leuke mensen. Hindoes, moslims, christenen, Jehova getuigen, alle geloven zijn aanwezig en lopen door elkaar heen. En iedereen kent elkaar. Samen lachen, eten, drinken, relaxen. Geen centje pijn. Veel respect voor elkaar. Daar kunnen we in Nederland nog een voorbeeld aan nemen. We voelen ons steeds meer thuis. Dat komt ook omdat in Suriname de Nederlandse taal wordt gesproken, weliswaar langzamer dan we gewend zijn en met andere toon, maar we worden begrepen. Denken we…

Als we in Paramaribo bij een tentje een uitsmijter bestellen, kijken ze ons vreemd aan. Of we een buitenwipper bedoelen? Die nemen we dan dus maar. En in de pan roeren ze niet, die draaien ze.
We laten ons haar knippen, en de kapper vindt Willem’s haar groot. Wij vonden het zelf nogal lang.
Iedereen groet elkaar. Soms met hallo, maar meestal keurig met goedemorgen, goedemiddag, en goedenavond. De reactie is steevast ‘’ja, ja’’ en dat kan eigenlijk altijd gebruikt worden. Tussen de zinnen door, gebruiken de Surinamers sowieso veel stopwoorden, zoals ‘’dus dat’’ en ‘’toch’’. Ja, ja.
Jongeren spreken ouderen nooit aan met hun voornaam, maar met meneer of mevrouw. Dus is het ‘’meneer Willem’’. En zijn partner zou in Suriname dan ‘’mevrouw Willem’’ worden. Bij ons is dat natuurlijk een beetje lastig, want Remco kan niet ook ‘’meneer Willem’’ worden genoemd, toch? Maar dit is snel opgelost, Remco gaat hier door het leven als ‘’die andere meneer’’. Dus dat.
Als we na een avontuurlijke jungletocht weer bij de boot arriveren, vragen de jongens van de haven of we echtgenoten hebben. Eindelijk, denken we, ze hebben een beetje door hoe de vork in de steel zit. We leggen uit dat we vrienden zijn, al lang bij elkaar, en samen mooie zeiltochten maken. Dat antwoord lijkt ze niet helemaal te bevredigen, en ze vragen nogmaals, ‘’of we ècht genoten hebben (van de jungletocht)’’…
Veel dezelfde woorden, maar door het andere tempo en de andere klemtoon, betekent het Surinaamse Nederlands soms toch net iets anders dan wij denken. Ja, ja.
Doe ons nog maar een buitenwipper.
En voor de goede orde, we hebben inderdaad ècht genoten van de jungletocht! Dus dat.