logboek

Go West

Go West

Het is de tweede donkere nacht op zee, tussen Trinidad en Bonaire. We turen over het water. Het lijkt wel alsof er een schip recht op ons af komt. Dat is vreemd. Nog een keer kijken. Niet heel duidelijk, maar toch. Piraten, denken we. Uit Venezuela. Wat gaan we doen… snel overstag , wegwezen hier.

Een dag daarvoor zijn we uitgeklaard uit Trinidad. Na het papierwerk en aftikken van honderden TT-dollars, zijn we klaar. Dachten we. De stoere politieman vraagt of we trek hebben in een hapje? Eerst denken we, hij maakt een grapje. Maar vervolgens: met twee bordjes heerlijke Trini lekkernijen komt de geüniformeerde kok terug. Dat is mooi afscheid nemen van Trinidad en Tobago.

We zeilen met een grote bocht om Venezuela heen. Minimaal 100 mijl uit de kust blijven, vanwege de Venezuelaanse piraten. Voor de zekerheid zonder AIS. En zonder licht de nacht in. En nu komt er dus een schip recht op ons af. Worden we echt gevolgd? Bijhouden kunnen ze ons niet, want met windkracht 6 en stroom mee, surfen we met 10 knopen over het water. Het duistere schip is na een tijdje verdwenen.

Opgelucht naderen we de volgende ochtend Bonaire, waar de zeebodem stijgt van 3000 naar 200 meter. Woelige baren dus en oppassen geblazen. We ronden veilig de zuid oost punt, en komen in de luwte van het eiland. Lekker. Zoutpannen, verdwaalde palmbomen, en slavenhuisjes. Desolaat daar vol in de wind.

We pikken een boei voor Kralendijk (ankeren mag niet ter bescherming van het koraal), en komen een beetje bij. Wow, het is hier mooi. Het water knalblauw, met vele vissen, en koraal. Snorkelen geblazen…

Na het inklaren in Kralendijk (op zijn Nederlands georganiseerd), lopen we naar het toeristenbureau. Het is donker in het kantoor, en de airco staat vol aan. Twee dames van middelbare leeftijd achter de balie, kijken ons vreemd aan. Voor de zekerheid vragen we of dit het toeristenbureau wel is. Dat klopt. En of er nog iets leuks te doen is, hier op Bonaire? Wederom kijken de (grote en wat minder grote) dames ons aan alsof ze water zien branden. Mevrouw 1 neemt nog een hapje van haar taartje, terwijl mevrouw 2 ons een boekje overhandigd. Een soort telefoonboek. Kjakken, zegt mevrouw 1 dan, dat is leuk, kjakken. We begrijpen niet helemaal wat ze bedoelt, en vinden het wel goed. Met het telefoonboek van mevrouw 2 keren we terug naar de boot. Kjakken?

We huren een autootje om het eiland te verkennen. Worden we nou weer gevolgd? Als we uitstappen aan de noordkust, voelen we ogen branden in onze rug. Ja hoor, twee ezels houden ons nauwlettend in de gaten. Maar dat is nog niet alles. Terug bij de auto blijken hagedissen Willems tenen een groot feest te vinden. En op de volgende stop, komen leguanen op ons af. Ze bijten niet, maar we besluiten het toch niet af te wachten. De flamingo’s blijven op veilige afstand, maar een gele parkiet is verliefd op onze autospiegel. Als we die middag snorkelen, volgt een prachtige grote Franse engel vis ons overal waar we gaan. Wij zijn banger voor hem dan hij voor ons, lijkt het wel.

Een paar dagen later in de ochtend, heeft Willem het idee dat er die nacht iemand op de boot is geweest. Het lijken wel natte voetsporen op het achterdek. Of zijn we paranoia aan het worden? Een half uur later horen we dat de dinghy van de buurman die nacht is gestolen. Blijkbaar zijn ze eerst bij ons geweest, maar kozen ze voor zijn dinghy met 15pk. Vissers helpen de dinghy weer te vinden, en de dieven worden op dit kleine eiland snel herkend, en gepakt.

Tijd om weer te gaan, denken we. Om op onze beurt de achtervolging in te zetten.
Naar daar waar de wind gaat. En de zon onder. We ‘’Go West, where the skies are blue…’’