logboek

Tante Marta

Tante Marta

We houden niet van kapen. Kaap de Finisterre, de Goede Hoop, Kaap Horn, allen berucht. Vele schepen zijn daar vergaan. Door de harde wind. De metershoge golven. De woelige baren. Kapen zijn moeilijke passages, grote uitdagingen. Maar we kunnen er niet – niet om heen…

Op weg naar Colombia staat Cabo de Vela op onze lijst. Kaap van de wind, niet voor niets zo genoemd. De beruchte Colombiaanse kaap. Heftige verhalen hoorden we van zeilers, die eerder deze kaap rondden. Bergen rondom, en de Oost passaat duwt de Caribische zee deze Colombiaans/Panamese hoek in. Verraderlijke stromingen, oplopende dieptes. Grote rivieren stromen er op uit.

We houden de verwachtingen goed in de gaten. Vier meter hoge golven en meer dan 35 knopen wind is te veel. We wachten nog even. Als het op Curaçao 15 knopen waait, dan op Aruba 25, en bij Cabo de Vela 35…
Dan lijkt er een (weer) window te ontstaan. De wind neemt af, de golven luwen. Dus we gaan. Een spannende tocht in het verschiet.

We besluiten rechtstreeks naar Santa Marta te zeilen (of zoals Remco’s moeder zegt, tante Marta). Vanaf Curaçao circa 350 mijl. Na de eerste nacht neemt de wind af. Zo halen we Santa Marta niet bij daglicht, en we besluiten een stop te maken op een geschikte ankerplek. De enige in de buurt, Cabo de Vela zelf. Alsof we de kat op het spek binden.
Met 35 knopen schuilen we achter de bergen. Voor anker in 5 meter zand. Geen golf te bekennen, wel vissers. We slapen onrustig, maar ons anker ligt muurvast.

De volgende morgen straalt ons toe. Mooi rustig weer, fijne golven, de wind dwarrelt. We bomen het voorzeil uit. Eerst over stuurboord, dan over bakboord. Dan is het plotseling halve wind, dus boom weer weg. Grootzeil bij. En niet al te lang daarna de wind vol van achter, grootzeil weg, boom er weer op. En dan begint het liedje weer opnieuw, boom over stuurboord, over bakboord…
De wind houdt ons aan het werk. Maar we houden voldoende snelheid, daar gaat het om. Het gaat ons voor de wind. En dat maakt het boom – werk – waard.

Bij het ochtendgloren doemt Santa Marta op. Onze eerste echte Colombiaanse haven. In het achterland zien we sneeuw op de hoogste bergtoppen. We roepen de Port Control op, en die noteert onze gegevens. En wenst ons in charmant Colombiaans Engels hartelijk welkom, bienveniedo! We krijgen er kippevel van. We klaren in, gaan de stad verkennen. Die bruist van het leven. Muziek en aardige mensen, felle kleuren, strand en iedereen zwemt en feest.

We houden niet van kapen, behalve als we ze gerond hebben. Maar het meeste houden we van een mooi welkom, zoals hier.
Viva Cabo de Vela, viva Colombia. Met de groeten van tante Marta…